Minister van BZ Van Karnebeek aan gezant Bern Van Panhuys

Afd. J.Z.

's-Gravenhage, den januari 1921
[gestempeld met: afgeschreven 13 JAN. 1921]

Nº 836
[handgeschreven aantekening: brief Stockholm 25 Nov. agenderen]

Mede-afdoening van 28416, 29944, 29250.

Aan Bern.

Over steun aan Armenië.

Ingevolge een resolutie aangenomen door de Vergadering van den Volkenbond op 22 November 1920 is het vraagstuk van Armenië opnieuw in den Raad van den Volkenbond ter sprake gekomen.

In de zitting van de Vergadering van 2 December deelde de Voorzitter mede, dat de Raad op 25 November als gevolg van de gehouden beraadslagingen een telegram gericht had tot alle Staten, Leden van den Volkenbond, waarin ieder van deze Staten werd uitgenodigd te berichten, of hij bereid zou zijn bemiddelend op te treden in den strijd tusschen Armenië en de Kemalisten.

Intusschen heeft de Nederlandsche Regeering een telegram van den Raad als bovenbedoeld nooit ontvangen. Ik verzoek UHWG dit feit onder de aandacht van den Secretaris-Generaal van den Volkenbond te brengen.

[met potlood doorgestreept] Ik stel er prijs op, dat de Raad van den Volkenbond zal vernemen, dat het niet inkomen van eenig antwoord van de Nederlandsche Regeering uitsluitend het gevolg is van de omstandigheid, dat de Nederlandsche Regeering het verzoek niet heeft ontvangen.

De tekst van het schrijven van den Raad is te vinden in het Compte-rendu van 2 December, terwijl het Document de l'Assemblée no. 155 den tekst bevat van verschillende antwoorden, welke de Raad op zijn verzoek heeft ontvangen; deze beide stukken worden UHWG hierbij toegezonden.


De M.v.B.Z.
v.d.M.
De S.-G.

[handgeschreven aantekening in kantlijn]
Dit is eerste, het tweede gexxx[onleesbaar], naar ik hoor is er nog een derde.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Buitenlandse Zaken: A-dossiers, 1815-1940, nummer toegang 2.05.03, inventarisnummer 1443.

Colofon