Gezant Constantinopel Van der Does de Willebois aan minister van BZ Loudon

[particuliere brief, handgeschreven]

Pera, den 2 Nov. 1915

Excellentie,

Gistermorgen had ik de eer te ontvangen Uw cijfertelegram no 32. Ik hoop dat ik den zin van het eerste gedeelte daarvan goed heb opgevat, namelijk dat de zienswijze van den Amerikaanschen Ambassadeur en van mijzelf, dat deelneming onzerzijds aan vertoogen tegen Armenische gruweldaden niet het minste gewicht in de waagschaal zal werpen ook door U wordt gedeeld, doch dat er redenen bestaan waarom dergelijke deelneming niettemin wordt wenschelijk geacht.
 
Ik heb derhalve gisteren namiddag de aangelegenheid nogmaals met den Amerikaanschen Ambassadeur besproken,1 die mij bevestigde, dat op dit oogenblik de gruweldaden – grootendeels ook wel “fautes de combattants” zijn gestaakt. De heer Morgenthau gelooft met het oog op de groote verontwaardiging, die zij alom en vooral in Amerika hebben opgewekt, dat die gruweldaden ook niet zullen worden hervat, doch zal mij, mocht dit wel het geval zijn, onmiddelijk verwittigen, opdat ik mij bij zijne vertoogen, die hij echter steeds in de vorm van vriendschappelijke raadslagen inkleedde kunnen aansluiten. Alles wat den schijn eener officiëele demarche draagt moet volgens den Ambassadeur in het belang van de Armeniërs zelve zorgvuldig worden vermeden en ik geloof gaarne, daar niemand zich ook slechts enigzins vergelijkbaar het lot van dit door de regeering tot ondergang gedoemde ras zoo heeft aangetrokken als de heer Morgenthau. Het slecht geweten maakt de Turksche bewindslieden in de hoogste mate weerbarstig tegen elke demarche in het belang van de Armeniërs die zij als eene inmenging in binnenlandsche aangelegenheden terugwijst. Doet men dit tegenover de ambassadeurs nog in eenigszins beleefden vorm, mij zelf zal eventueel onbewimpeld worden te kennen gegeven, dat ik mij meng in zaken, die mij niet aangaan. Zelfs de eerste Drogman der Duitsche Ambassade ontving dezer dagen bij bespreking eener aangelegenheid van Talaat Bey ten antwoord “wat zoude de Duitsche Regeering antwoorden, indien de Turksche Ambassadeur te Berlijn het gewaagd had eene dergelijke demarche te doen?” Men acht zich hier als in alle opzichten gelijkstaand met het Duitsche Rijk. Dit was het wat mij in mijn cijfertelegram deed toevoegen dat ik, met den Amerikaanschen Ambassadeur het wenschelijker achtte om te onthouden van eene coöperatie, die toch niet het minste gewicht in de waagschaal zoude werpen.

Acht, gelijk gezegd, de heer Morgenthau het vrijwel uitgesloten dat nieuwe gruweldaden zullen plaatsvinden, zoo is hij anderzijds overtuigd, dat nog duizenden en duizenden gederporteerde Armeniërs door honger en gebrek zullen omkomen. Voor de honderdduizenden dezer uit hunne woonplaatsen gedeporteerden zijn of wel geene of toch geheel onvoldoende maatregelen ter verzorging getroffen. Misschien gedeeltelijk toch met opzet. De heer Morgenthau heeft tersluiks aan enigen onderstand kunnen doen toekomen doch tot dusverre niet de toestemming kunnen erlangen, dit op eenigszins grootere schaal te doen. Voor het oogenblik heeft hij daarvoor beschikbaar 65,000 dollars, een druppel in de rivier, doch verwacht hij uit Amerika nog veel aanzienlijker bedragen. Hij zegt mij dat hij tot het erlangen der bedoelde toestemming zeer voorzichtig en schrede voor schrede moet te werk gaan daar hem anders de zorg om de ongelukkigen te hulp te komen geheel zoude worden afgesneden. De Ambassadeur meent dat indien men in Nederland werkelijk iets voor de Armeniërs wil doen dit allen kan geschieden door het zenden van geld en wel zeer veel geld. Mocht men hiertoe ten ontzent willen overgaan zoo zoude dat m.i. werderom in het belang der ongelukkigen zelf op de minst mogelijk opvallende wijze moeten geschieden. Ik bedoel hier de inzameling der gelden.

De toestanden zijn hier ondragelijk en het schrikbewind van het Comité volgens alle onpartijdigen veel drukkender dan dat van Abdul Hamid. Ik vraag mij af wat het einde van dit alles zal zijn. De wrijvingen tusschen de Duitsche Ambassade en de Turksche bewindslieden nemen dagelijks toe. Laatstgenoemden beginnen het gevaar, dat het van Duitschland na het sluiten van de vrede dreigt, in te zien en Duitschland zich meer en meer rekenschap te geven dat het niet zoo gemakkelijk zal vallen het Turksch chauvinisme, dat het op zoo onverantwoordelijke wijze heeft opgezweept, onder zijn wil te buigen.

Hoe uiterst onaangenaam de positie der vreemde missies, vooral van die der kleine staten, onder de kleingeestige kwellerijen van het tegenwoordige regime is behoef ik wel niet te accentueren. Veel te doen valt er niet, doch het weinige is van den ergerlijksten aard. Steeds door schipperen te trachten ernstige incidenten die tot alles kunnen voeren, te ontwijken! Een treurig métier.

Ik mag deze gelegenheid niet laten voorbijgaan zonder Uwer Excellentie mijn meest oprechte bewondering uit te spreken voor de wijze waarop het Haar gelukt is onder handhaving der grootste waardigheid ons land voor de rampen van een oorlog te behoeden en vertrouw dat het grootste gevaar thans wel voorbij is.

Met de meeste hoogachting,
Uwer Excellenties zeer dienstwillige,

De Willebois

[handgeschreven aantekening van Minister van BZ Loudon]
31 dec beantw. een brief van Thoumaian benevens van diens echtgenote voor Khalil Bey ter eventuele bevordering xxx[onleesbaar]

JL

 

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Buitenlandse Zaken: Kabinet en Protocol, 1871 - 1940, nummer toegang 2.05.18, inventarisnummer 47/110.

1 · Uit de dagboeken van de Amerikaanse ambassadeur Morgenthau, maandag 1 november 1915: “Willebois called. His Government asked him to cooperate with me in Armenian matters. It seems that in Holland there has been great excitement about it. He asked me whether he could go with me next time that I made representations. I told him that that was impossible as it would make it official, while I was doing it unofficially. He told me Metternich is a bachelor and a Catholic.”
Bron: A. Sarafian (ed.), United States Diplomacy on the Bosphorus: The Diaries of Ambassador Morgenthau, 1913-1916, London, Gomidas Institute, 2004, 500 blz.

Colofon