Het Vaderland, 23 februari 1921
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De Armeniërs te Londen

De Armeniërs, net als de Turken, hebben twee delegaties naar Londen gezonden; daar aangekomen heeft er echter een verzoening plaats gehad tusschen de afgevaardigden der beide partijen; Nubar pasja en Aharonian zullen vereenigd Armenië's belangen voor de conferentie verdedigen.

De Armeniërs, evenals de Grieken, vreezen elke verandering van het verdrag van Sèvres: zij beschouwen dit verdrag als de geboorteacte van hun nog niet zeer levenskrachtigen Staat en wenschen dat er aan die actie zoo weinig mogelijk getornd wordt.

De huidige positie van Armenië – aldus de Times – is overigens al lastig genoeg. Het land bestaat uit twee deelen, waarvan het eene – het Noordelijke – vroeger Russisch was en het andere – het Zuidelijke – vroeger Turksch. De Noordelijke streken hebben geweldig onder den oorlog geleden, maar toch blijven zij het meest levenskrachtige deel van den Staat, die zich thans in de ongelukkige positie gevoelt van enerzijds tegenover de bolsjowisten te staan en over zijn Zuidelijke grenzen de landen van het Kemalistische bewind te hebben.

De Armeensche delegatie trekt zich vooral het lot van Cilicië aan. Wanneer Cilicië weer geheel onder Turksch bewind blijft, dan zal Armenië zich niet veilig voelen. De huidige toestand is dat Oost-Cilicië onder Fransch mandaatbeheer staat, terwijl het Westelijke gedeelte van dit land, met de steden Adana, Mesina enz., aan de Turken is gebleven. De Armeniërs nu stellen voor, dat Oost-Cilicië een Armeensche provincie zou worden met behoud van het Fransche mandaat en dat West-Cilicië weliswaar onder Turksche souvereiniteit zou blijven, maar als Fransch protectoraat als een land met Christelijke bevolking door Franschen zou geadministreerd worden.

Voor 't geval dat de Franschen hun mandaat over Oost-Cilicië opgeven, zal de Armeensche delegatie er op aandringen dat het geheele land alhoewel het dan Turksch blijft toch door Franschen zou bestuurd worden.

Colofon