Het Vaderland, 16 augustus 1923
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Turkije en de vrede van Lausanne

DE HOUDING TEGENOVER DE VREEMDELINGEN IN TURKIJE

(Eigen brief)

Konstantinopel, 10 augustus.

Konstantinopel heeft Ismet pasja, den overwinaar van Lausanne, een waardige ontvangst bereid.

Het verdrag, dat onlangs te Lausanne is onderteekend en heden hier in den persoon van Ismet pasja is gevierd, heeft voor goed de overwinning bezegeld van het Turksche rijk over het Ottomaansche, d.w.z. het heeft de vorming mogelijk gemaakt van een samenhoorig volk dat zich bewust is op een grondgebied te wonen, dat allen als hun vaderland beschouwen, in plaats van een vaag omschreven en uitgestrekt keizerrijk zonder samenhang tusschen de heterogene volksstammen en met een overheerschend vreemd element, dat in economisch opzicht heerschte ten nadeele van het leidende Turksche ras.

Het denkbeeld van Turkije voor de Turken heeft nu gezegevierd en Turkije, thans vrij van alle knellende banden, zal nu alle krachten moeten inspannen om te reorganiseren om het uitgeputte land nieuw leven te geven na de onophoudelijke binnenlandsche twisten en de oorlogen met het buitenland.

Binnen eenige dagen zal de Nationale vergadering te Angora het verdrag van Lausanne te ratificeeren hebben. Het is wel het meest eervolle verdrag, dat Turkije sinds meer dan een eeuw heeft gesloten.

Het oude Turkije, in een tijd van verval, heeft zich steeds verzet tegen het teekenen van verdragen, die het vernederden onder de druk der mogendheden.

Nu zijn het de groote mogendheden, die zich buigen voor 't overwinnend Turkije en onder den druk van dit land hebben zij aan alle verlangens van Turksche zijde gehoor gegeven. Is het rechtvaardig dat de rollen zijn omgedraaid? De naaste toekomst zal deze belangrijke vraag moeten beantwoorden.

Door het feit van zijn overwinnig en de openlijke verontschuldigingen, die de mogendheden het hebben aangeboden, heeft Turkije een groote verantwoordelijkheid op zich gekregen tegenover zijn burgers en de openbare meening in zijn wereld.

De geschiedenis en de aardrijkskundige ligging hebben Turkije op een kruispunt gebracht, waar al sinds zooveel eeuwen de volkeren van drie werelddeelen gestreden hebben. Te oordelen naar de vermogens van zijn staatslieden, zal het verjongde Turkije groote voordelen moeten kunnen trekken uit deze gunstige ligging. Turkije rekent op de toewijding van hoogstaande mannen voor een veilige toekomst.

Moestafa Kemal pasja, Ismet pasja, Kiazim Kara Bekir, Refet, Reouf, Tewzi pasja, het zijn allen personen die tegen de omstandigheden opgewassen zijn.

Het is te hopen, dat deze mannen, die volgehouden hebben tot de overwinning zeker was, met denzelfden moed, en toewijding aan de opleving van hun land in vredestijd zullen blijven werken.

Vooral zullen zij plotselinge veranderingen moeten vermijden. Het is een moeilijke overgangstijd, dien het land nu meemaakt en de uiterste voorzichtigheid is geboden.

Eenige maatregelen, onlangs tegenover de vreemdelingen ondernomen, hebben zeer gerechtigde protesten uitgelokt. Terwijl men overal elders in de landen, die zich in de oorlog hebben gemengd, de bepalingen tegen buitenlanders zeer heeft verzacht, heeft men in Turkije juist maatregelen willen nemen om buitenlanders en Christenen te verdrijven, terwijl deze juist de elementen zijn, die voor een economische opleving 't minst kunnen gemist worden. Weliswaar zijn deze maatregelen weer ingetrokken, maar het denkbeeld alleen om ze uit te vaardigen, bewijst reeds dat men in Nieuw Turkije niet erg welwillend gestemd is tegenover de vreemdelingen, terwijl men eigenlijk het tegenovergestelde moest wenschen.

Een dezer laatste dagen schreef een groot dagblad te Konstantinopel, de Vakit, dat de handel in de stad, en in de landstreek rondom Smyrna geheel stil stond ten gevolge van den uittocht der Christenen en vreemdelingen. de Turksche handelaren aldaar beklagen zich, voegt het blad er aan toe, over het vertrek der Grieken en Armeniërs, die den uitvoer in handen hadden zoowel als den tusschenhandel met het buitenland. Aangezien een terugkeer van Grieken en Armeniërs onwaarschijnlijk is, hebben zij gevraagd om den terugkeer van vreemdelingen te vergemakkelijken. Toch bleek uit niets, dat de Turken tegenover vreemdelingen welwillender gestemd zijn dan tegenover hun vroegere medeburgers. In zekere kringen voelt men een latenten vreemdelingenhaat. En de gevolgen daarvan zullen voor de Turken meer nadeelig zijn dan voor degenen, die het voorwerp van die gevoelens zijn.

In de laatste dagen hebben er ook enige alarmeerende geruchten geloopen over de veiligheid van Christenen en vreemdelingen in Konstantinopel na het terugtrekken der geallieerden strijdkrachten. Deze geruchten zijn uit de lucht gegrepen, vermoedt men. Toch leiden deze wanklanken er toe dat lieden, die zich eenigszins verdacht voelen of wien het aan moed ontbreekt, hun zaken aan kant doen en de stad verlaten.

Colofon