Nieuwe Rotterdamsche Courant, 19 november 1918
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Lord Robert Cecil in het Lagerhuis

LONDEN, 18 November. (Reuter.) Het was onnoodig – zeide lord Robert Cecil nog in zijn Lagerhuisrede – te herhalen hoe groote sympathie de regeering koesterde voor het Armenische volk en hoezeer zij de ongelooflijke gruweldaden afkeurde, waaraan het van den kant der Turken had blootgestaan.

Na de verschillende clausules te hebben opgesomd, die in het wapenstilstandsverdrag met Turkije waren opgenomen ten bate van de Armeniërs, zeide lord Robert te hopen, dat de militaire autoriteiten in staat zouden wezen om iets te doen op het gebied van onverwijlde hulpverstrekking.

Bovendien overweegt de intergeallieerde voedselraad de beste manier om voedsel te verstrekken.

Wat betreft den eisch, dat de Turkse regeering uit Konstantinopel zal worden verdreven, dient te worden in het oog gehouden, dat Konstantinopel vóór alles een Turksche stad is. In elk geval is het een quaestie, die door de vredesconferentie moet worden beslist. De regeering zal het vraagstuk van het toekomstige bestuur in Konstantinopel in behandeling nemen met volkomemn onbevangenheid. Het staat echter vast, dat de booze invloeden, die in Konstantinopel overheerschend zijn geweest, niet in een overheerschende positie zullen worden gelaten. De Dardanellen en de Bosporus moeten in de toekomst volkomen vrij zijn voor den wereldhandel. Wanneer dit eenmaal is verkregen, wordt de feitelijke souvereiniteit van Konstantinopel in de praktijk van minder belang.

Zijn rede in het Lagerhuis voortzettend, zeide lord Robert Cecil nog, dat het trekken van de grenzen van den nieuwen Armenischen staat moeilijk zou zijn, maar de Britsche regeering zou diep teleurgesteld wezen, indien er van het Turksche gezag in Armenië ook maar een spoor zou overblijven.

In groote lijnen is onze politiek de bevrijding van alle onderworpen volken: Koerden, Arabieren, Joden en Grieken. De Grieken hebben ongetwijfeld recht op bescherming, maar het Grieksche vraagstuk is zeer moeilijk, omdat zij overal langs de kust verspreid wonen. De opvatting met betrekking tot al deze volken zou echters steeds dezelfde wezen. De vijand was in dit geval de Turksche regeering, wiens politiek het steeds was geweest, onlusten te scheppen en daarna te moorden. Er waren reeds teekenen, die er op wijzen, dat wanneer maar eerst de Turksche invloed is weggenomen de Koerden en de Armeniërs in vriendschap zullen samenleven. Zelfs nu nog hebben de Turken hun leer niet geleerd; zij hopen hun oude politiek van uitstel te kunnen voortzetten, teneinde het eene Europeesche volk tegen het andere te kunnen in het harnas jagen. Maar die dagen zijn voorbij en de Turken kunnen enkel op genade en welwillendheid rekenen, indien zij zonder treuzelen de wapenstilstandsvoorwaarden uitvoeren evenals de verdere voorwaarden, die de gerechtigheid van hun overwinnaars hun zekerlijk zal opleggen.

Colofon