Nieuwe Rotterdamsche Courant, 18 december 1923
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Turkije - De Armeniërs

(Van onze Balkan-correspondent.)  5 December.

De vredesonderhandelaars te Lausanne hebben, nadat ze het verlangen van de Armenische Confederaties te Parijs en te Genève naar een bij het Vredesverdrag vast te stellen "Tehuis" voor de Armeniërs, d.w.z. een Armeenschen staat in Cilicië om den eeuwenouden zetel van het Armenische Patriarchaat van Siz (ten N.O. van Adana), gewoonweg hebben genegeerd, het Armenische volk een zijner schoonste en hoopvolste verwachtingen verstoord.

Er bestaat weliswaar sinds 1919 een zoogenaamd onafhankelijk Armenië, de republiek Haïasdan, in Transkaukasië om Etchmiadjan, den zetel van den Katholikos, het hoofd der Gregoriaanse kerk, met Erivan als hoofdstad; maar ook die brooze uitwas van den overwinningsroes van de Entente-satellieten is alras gebleken geen levensvatbaargeid voor een zelfstandig bestaan te hebben. Die Armeensche staat is dan ook eerverleden jaar zonder gerucht opgegaan in de federatie der Kaukasische staten, welke om te kunnen blijven voortleven zich heeft moeten aansluiten aan de groote combinatie van de Bolsjewieken te Moskou onder den naam van "De Vereenigde Socialistische Sovjetrepublieken van Rusland".

De Armeniërs in Turkije, die, omdat ze zich daar onder de tegenwoordige regime blijkbaar nog minder op hun gemak gevoelen als onder het vorige in menigte naar elders willen verhuizen, zijn daardoor zeer teleurgesteld geworden. En daar velen onder hen reeds alle voorbereidingen hadden getroffen om zich in den gehoopten eigen Armeensche staat te gaan vestigen, bevinden die zich sedert het sluiten van den vrede van Lausanne in een zeer moeilijke en netelige stelling, omdat het "Bewind te Angora" in zijn zucht om alles in nieuw-Turkije te verturkschen, die uittocht alleszins welkom is. Men ziet in de leidende Turksche kringen daarbij – ten minste voor het oogenblik – geheel over het hoofd, dat daardoor het Rijk een zwaar en de eerste jaren onmogelijk te herstellen verlies zal lijden op oeconomisch gebied en voor de voorspoedige ontwikkeling van het land. Die Armeensche landverhuizers kijken dientengevolge nu naar overal uit om ergens een nieuw onderkomen en bestaan te vinden; en nu schijnt Sowjet-Rusland hun dat nieuwe "Tehuis" te willen verschaffen.

Reeds te Lausanne, verleden jaar, had Tsjitserin, de commissaris, voor de buitenlandsche zaken der Sowjet-republieken van Rusland, het toelaten van 50,000 Armeensche vluchtelingen toegezegd in de Koeban, in Noord-Kaukasië. Een commissie is te Moskou ingesteld om de vestiging van die inkomelingen voor te bereiden en uit te voeren.

De Sowjet-regeering heeft nu toegestaan, dat nog 10,000 andere Armeensche vluchtelingen uit Turkije mogen verhuizen naar het gebied van de Republieken van Transkaukasië. Makker Bogos Makinzian, de vertegenwoordiger van den "Federalen raad der socialistische Sowjet-republieken van Transkaukasië" in Turkije, heeft de noodige aanwijzingen en volmachten gekregen om die volksverhuizing ten spoedigste uit te voeren.

Hij heeft daaromtrent aan de pers verschillende inlichtingen verstrekt, welke een beeld geven van de toestanden tegenwoordig in Transkaukasië, en van het lot en de mogelijke toekomst van het Armeensche volk, "waarvoor – zooals hij zegt – de geheele beschaafde wereld belangstelling toont, welke echter – helaas – grootendeels van platonischen aard is gebeven."

Armeensche vluchtelingen komen – zoo verklaarde hij – dagelijks uit Anatolië naar Konstantinopel afzakken in groepen van 25 à 50 personen, en vormen nu al reeds een troep van verscheidene duizenden personen, voor het merendeel behoeftigen zonder onderkomen. De omliggende landen, waarheen ze zich hadden willen begeven, hebben al hun grenzen voor hen gesloten. Roemenië, Bulgarije, Griekenland laten geen enkelen Armeenschen vluchteling meer toe. Zuid-Slavië, en nu ook Frankrijk maken hun het betreden van hun grondgebied vrijwel onmogelijk; en wat Groot-Brittannië betreft, niet alleen weigert dat het verlof aan Armeniërs om daar voet aan wal te zetten, maar zelfs worden de Armeensche pelgrims naar de Heilige plaatsen der christenheid niet in Palestina toegelaten.

Onder die omstandigheden hebben de organisaties, welke zich het om lot der Armeensche vluchtelingen bekommeren, zich tot de regeering te Moskou gewend met een dringend verzoek zich over die ongelukkigen te willen ontfermen. Zooals gezegd heeft Tsjitsjerin er dadelijk in toegestemd nogmaals 10,000 vluchtelingen in Rusland op te nemen, en zich met makker Miasmikoff, den president van de Federatie der Kaukasus-republieken, in verbinding gesteld om die nieuwe inkomelingen aldaar onder te brengen. Loekasjin, de president van den Raad van commissarissen van de Sowjet-republiek Armenië heeft daarop laten weten, dat de 10,000 vluchtelingen aldaar welkom zullen wezen; er bijvoegende, dat: "Terwijl de Fransche regeering, na de Armeniërs allerlei schoons te hebben beloofd, hun den toegang tot haar grondgebied ontzegt, en Engeland, na de Armeniërs tegen de Turken te hebben opgehitst, hen nu aan hun ongeluk overlaat, is het voor de zoogenaamde "wreede" Sowjet-regeering een voldoening die ongelukkige vluchtelingen eenige verlichting in hun treurig lot te verschaffen."

Makker Makinzian verheelt niet, dat de regeering van Armenië er op rekent, dat zij van buiten af zal worden gesteund om al die vluchtelingen welke zij reeds heeft opgenomen aan een nieuw bestaan te helpen. De Armeensche republiek is arm – zegt hij. Op een bevolking van 1,300,000 zielen komen nu al 300,000 vluchtelingen, welke voor een groot deel nog moeten worden onderhouden. Het onderbrengen van de 10,000 nieuwe inkomelingen vordert tal van voorbereidende werkzaamheden – o.m. het bewateren van groote grondstukken om ze voor de vluchtelingen bebouwbaar en vruchtdragend te maken. Daarvoor is het verstrekken van buitenlandsch kapitaal noozakelijk. De Armeensche regeering heeft bijgevolg de verschillende organisaties, welke voor de overbrenging en de vestiging der vluchtelingen zullen zorgen, verzocht om 1e. hun transport te bekostigen, 2e. hun de noodige landbouwwerktuigen en ander gereedschap te verschaffen, 3e. hun materieelen steun te verleenen gedurende den eersten tijd hunner vestiging. De groote Amerikaansche organisatie van de "Near East Relief", welke reeds zooveel voor de Armeensche vluchtelingen heeft gedaan, heeft haar bijstand reeds toegezegd; en "The Friends of Armenia" te Londen hebben een beweging op touw gezet, waartoe reeds vele welgestelde families in Engeland zijn toegetreden, om bij het Zondagsche middagmaal zich de toespijzen te ontzeggen, om het bedrag dier besparing af te dragen aan de kas dier vereeniging voor de ondersteuning van de Armeensche vluchtelingen.

De Sowjet-regeering te Moskou heeft er niet het minste bezwaar in gezien op die wijze met "bourgeois" organisaties samen te werken. Trouwens, "The Near East Relief" heeft alreeds sinds meer dan twee jaren met de sowjets een overeenkomst, waarbij die organisatie het onderhoud van 30,000 weezen in Armenië op zich heeft genomen, en de Armeensche regeering zich heeft belast met het vervoer van al het daarvoor noodige van de haven van Batoem naar de bestemmingsplaatsen, dat vrij van alle rechten kan worden ingevoerd. Behalve aan de zijde der Amerikanen, ontvangen de vluchtelingen ook materieelen steun uit Engeland, Australië en Zweden, en bevinden zich gedelegeerden dier steunverleeningen eveneens te Erivan.

Al die organisaties worden geheel vrijgelaten bij de inrichting en de regeling harer werkzaamheid. De regeering heeft zich alleen voorbehouden het onderwijs der minderjarigen onder de vluchtelingen volgens haar inzicht en leerplan te laten geven.

Het openbaar onderwijs, volgens de Sowjet-leerstellingen, berust in de eerste plaats – zooals makker Makinzian uitlegde – op het afschaffen van elk godsdienstig onderricht. De godsdienst is, naar de opvatting van de Sowjet's, een zuiver persoonlijke aangelegenheid. Bijgeval de ouders hunne kinderen godsdienstonderwijs willen laten geven, kunnen zij dat naar eigen believen bij hun tehuis door den pope, priester of rabbijn laten doen.

Het openbaar onderwijs kent evenmin nog lessen in de moraal. De moraal is een uitvinding der "bougeois" om het persoonlijk bezit beter te helpen verzekeren. De communistische staat kent geen persoonlijken eigendom, heeft bijgevolg geen wetten noodig om dien te beschermen en heeft mitsdien ook niets met de wetten van de "zoogenaamde" moraal te maken. De leerlingen van onze scholen, verklaarde makker Makinzian verder, worden inzonderheid onderwezen in wat wij (de bolsjewieken) noemen "de wetenschap van het politieke alphabet". Zijn zij daarin behoorlijk onderlegd, dan is dat voor hen voldoende om de verplichtingen van den toekomstigen communist te kennen, en te verzekeren het eerbiedigen van het gemeenschappelijke bezit – het eenige dat wij erkennen.

Het openbaar onderwijs is verder voornamelijk op praktischen grondslag ingericht. In tegenstelling met de jongelieden, die de "bourgeois" scholen afloopen, zonder daar iets van het ware leven te leeren, worden de communisten-kinderen, zoodra ze hebben geleerd te lezen, te schrijven en te tellen, met de werkelijkheid van het bestaan in aanraking gebracht. Volgens de behoeften van de omgeving, waarin ze zullen moeten leven, worden de scholieren de eerste beginselen van den landbouw of van de werktuigkunde bijgebracht, hetgeen voldoende is om hen in staat te stellen later in eigen onderhoud te voorzien. In den communistischen staat is met afgetrokken wetenschap niets aan te vangen. Alles is daar realistisch en moet aldus zijn en blijven, besloot makker Makinzian zijne inlichtingen.

Alvorens de vluchtelingen behulpzaam te zijn, naar de Sowjet-republieken te vertrekken, worden hun die grondstellingen van het bestuur en het bestaan aldaar medegedeeld en verklaard door de gedelegeerden van de Buitenlandsche organisaties tot steunverleening, en alleen zij, die verklaren ermede in te stemmen of genoegen te nemen, worden daarop door dezen naar het nieuwe land van vestiging verder geholpen.

Colofon