Nieuwe Rotterdamsche Courant, 16 september 1919
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De deportaties in Armenië

Onder den titel "Der Todesgang ders Armenischen Volkes" is bij de Tempelverlag te Potsdam een rapport van dr. Joh. Lepsius, voorzitter van het Duitsch-Armeensch genootschap, verschenen over het lot der in Turkije wonende Armeniërs tijdens den wereldoorlog.

De schrijver heeft zich in 1915, nadat het Duitsche departement van buitenlandsche zaken van Wangenheim, den gezant te Konstantinopel, bericht had gekregen over het voornemen van Enver pasja, om "verdachte Armeensche families naar Mesopotamië te zenden, ten einde spionnage en nieuwe opstanden tegen te gaan" naar Turkije begeven. Hij heeft helaas het beulswerk van de toenmalige Turksche regeering niet kunnen verhinderen; het was al begonnen toen hij vertrok en al gebeurd toen hij te Konstantinopel aankwam.

Diplomatieke stappen van het Duitsche, Bulgaarsche en Amerikaansche gezantschap hadden niets geholpen; Talaat bei en Enver waren niet te vermurwen en Enver gaf dr. Lepsius in een onderhoud te kennen dat hij de geheele verantwoordelijkheid van de deportaties op zich nam.

Het verzoek van dr. Lepsius om althans het steunwerk voor de gedeporteerden op zich te mogen nemen, weigerde hij kortaf. Hij wilde er geen "vreemden" bij hebben. Alle moeite die de schrijver later nog heeft gedaan om de streken, waarheen de Armeniërs waren gedeporteerd, te bezoeken, zijn eveneens mislukt, zoodat hij onverrichter zake uit Konstantinopel moest terugkeeren.

Na zijn aankomst te Berlijn gaf hij op het ministerie van buitenlandsche zaken te kennen dat Duitschland op de Turksche regeering een sterken indruk diende uit te oefenen, maar men gaf hem te verstaan dat zulks niet ging, omdat Turkije anders het bondgenootschap zou verbreken. Er waren uit Berlijn reeds tal van protesten en vertoogen naar konstantinopel verzonden, maar de Turksche machthebbers bleven er stokdoof voor. Den schrijver bleef derhalve niets anders over den gelden voor de ongelukkige Armeniërs in te zamelen en aan de hand van officieele consulaire rapporten zijn bevindingen te boek te stellen. Zijn rapport dagteekent dan ook reeds van Juli 1916. Het werd, kort nadat het verschenen was, op verzoek van den Turkschen gezant door de Duitsche censuur in beslag genomen, doch van de 20,000 verspreide exemplaren had verreweg het grootste deel al zijn bestemming bereikt.

Thans, na drie jaar, is de tweede druk verschenen. Uit een aan het boek van 300 pagina's toegevoegde statistiek blijkt, dat er voor den oorlog 1,845,450 Armeniërs in Turkije woonden. Daarvan zijn 1,396,000 gedeporteerd of gedood, 244,000 gevlucht en slechts 304,700 gespaard gebleven. Van de gedeporteerden zijn bovendien talloozen omgekomen. Het Armeensche volk in Turkije is dus vrijwel uitgeroeid en van de welvaart ervan is niets overgebleven (de Armeniërs hadden voor den oorlog in Turkije 60 pct. van den invoer, 40 pct. van den uitvoer, 80 pct. van den binnenlandsche handel en het grootte deel van de ambachten en vrije beroepen in handen.) De kerken en scholen in Armenië zijn vernield of in moskeeën veranderd.

De politieke gevolgen van den moord op groote schaal laten zich thans reeds voelen. De Russische Armeniërs in den Kaukasus, ongeveer 1½ millioen, die voordien geen reden hadden om bij Rusland te willen blijven, daar hun volksgenooten in Turkije meer vrijheid op kerkelijk-, school-, taal-, en nationaal gebied hadden, zijn genoodzaakt geworden zich in de armen van Rusland te werpen. De moreele en ekonomische gevolgen zullen zich weldra laten gelden. De wereld zal zich – zegt de schrijver – niet laten overtuigen dat deze moord en deportaties uit strategisch oogpunt noodzakelijk waren en er Turkije voor laten boeten. Dat zal, naar het oordeel van dr. Lepsius, dan een gerechte straf zijn, want de politieke leiders van het Armeensche volk hadden zich niet alleen onthouden van elke deloyale daad tegen de Turksche regeering, maar reeds sedert de invoering van de grondwet de Jong Turkse partij gesteund. Zij zullen dan ook niet nalaten te bewijzen dat de vernietiging van hun volk is te wijten aan pan-islamitische neigingen van de Turksche regeering en niet aan deloyale daden van het Armeensche volk.

De ekonomische en cultureele ontwikkeling van Turkije is ten zeerste geschaad door de uitroeiing en vervolging van het meest intelligente en ijverige volk binnen het Ottomaanse rijk.

Colofon