Limburger Koerier, 24 mei 1921
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Eene bede van Pater Maternus Muré O.F.M.

Apostolisch Missionnaris onder de Armenische Christenen aan zijne geachte en liefdadige landgenooten

Hartelijk dank ik voor alle bewijzen van liefde en vrienschap mij bewezen bij mijn tijdelijken terugkeer in het Vaderland na eene afwezigheid van 15 jaren. Mijn verblijf onder verwanten, vrienden en mede-broeders wordt een weinig treurig door de gedachte dat ik spoedig moet terugkeeren naar de plaatsen, waar moord, armoede, de grootste ellende sinds de laatste jaren 't lot der Christenen is. In ruime mate heb ik mijn aandeel gehad in al het vreeselijke, dat mijn medebroeders-Missionarissen en de ons toevertrouwde Christenen doorstonden en dat velen met een gruwelijken dood eindigden.

Onze Lieve Heer in Zijne Heilige en rechtvaardige raadsbesluiten heeft mij leven en gezondheid laten behouden, voorzeker niet met het doel om in Holland, het land van melk en honing, het land van vrijheid en van grooten voorspoed de dagen, die mij blijven rustig te eindigen. Neen, mijn leven en gezondheid behooren God, die mij bestemd heeft de troost te zijn van zoovele duizenden weduwen, weezen en ongelukkigen, nog heden in gevaar slachtoffer te worden van de ongeloofelijke wreedheid der Turken, die door hunne gruwelen niet alleen de faam die Mohammed hun profeet bij hen heeft, bezoedelen, maar ook de rechten der Menschheid zonder de minste gewetenswroeging onder de voeten treden.

De Turken!.. 27 jaar lang leefde ik onder hen: hunne taal is mij meer eigen dan mijne moedertaal. Veel omgang had ik met hen en altijd beklaagden zij zich tegenover mij, dat de Christenen van Europa altijd zo ongunstig over hun oordeelden, dat zij werden aangezien als barbaren.

Onze Moeder de Heilige Kerk legde eertijds in de litanie van alle Heiligen ons de bede op de lippen: "Ut Turcarum conatus reprimese et ad nihilum renigere digneris te romagadus audi nos". – Dat gij U gewaardigt de aanslagen der Turken te onderdrukken en teniet te doen, wij bidden U verhoor ons. – De Turken voelden zich gekrenkt dat de Christenen tegen hen zulke bede ten Hemel zonden. Omdat de Turken gedurende de laatste vijftig jaren zich naar de Europeesche beschaving begonnen te voegen, nam de H. Kerk op aandringen der Turken het besluit, die bede om verlossing uit de litanie van alle heiligen te verwijderen. Wat de laatste jaren in Aziatisch Turkije is voorgevallen is, met welke wreedheid de Turken in de laatste jaren wel twee millioen christenen vermoord hebben, is den volgelingen van Mahommed tot in alle bijzonderheden bekend en zij kunnen dat ook niet loochenen. Gerust mogen wij de bede tot God: "Van het woeste geweld der Turken, verlos ons Heer!", uit het diepste van ons hart en elk oogenblik herhalen: de Turken hebben voorzeker geen recht meer ons dat kwalijk te nemen!!

De laatste bloedbaden welke de Turken aangericht hebben, waren die van Marache (mijn parochie) en van de Missies in hare omgeving gedurende de maanden Januari en Februari 1920. Daar vonden 12.000 Christenen en 6 Franciskaansche Missionarissen den dood. In de maand September van hetzelfde jaar werd de stad Hadjine in Klein-Armenië totaal uitgemoord: 8000 Christenen lieten er het leven.

Het getal der Armenische Christenen, die na zooveel ellende in Klein-Armenië (Cilicia) nog in leven zijn, is ongeveer 200,000 zielen die zich nu bevinden in Marache, Aintab, Adana en in andere plaatsen van Klein-Azië. In Marache bevinden zich nog 7500 en in onze missie van Aintab nog ongeveer 8000 Christenen. Deze Turksche stad gaf zich na eene belegering van 10 maanden en na gruwelijke en hardnekkige gevechten aan den Franschen over op 8 februari 1921 en tot heden is in Klein-Armenië de oorlog nog in vollen gang. De laatste berichten heeft u wel gelezen in de Hollandsche dagbladen van 10 Mei l.l. die ons mededeelden, dat de Turken met kanonnen de Franschen hadden aangevallen in Osmanië (ten Noorden van de Golf van Alexandretta) en dat er van de Franschen velen gedood werden.

Toen ik uit mijn Missie vertrok, om haar belangen zooveel mogelijk in Europa te verdedigen en te bevorderen was de toestand wanhopig, maar nu toch glimt er weer een vonk van hoop; een diplomaat uit Parijs deelde mij den 10 dezer maand mede dat de Quai d'Orsay besloten had Klein-Armenië of Cilicia niet te ontruimen en dat telegraphisch bericht gezonden was aan de Christenen aldaar zich niet meer te verontrusten over de voortgenomen ontruiming van Fransche troepen. De Kemalisten hebben het Fransch-Turksch verdrag niet willen onderteekenen.

Evenwel is de toestand de Christenen vooral in Marache uiterst betreurenswaardig. Den dag dat ik hen moest verlaten waren alle huizen der Christenen reeds afgebrand. In onze Paterskerk en Klooster hadden 4000 Christenen een toevlucht gevonden, die allen zonder genoegzame kleeding en voedsel gretig de aalmoezen ontvingen die liefdadige Christenen mij reeds vroeger overrijkten tot steun dier ongelukkigen.

Aangezien door den oorlog handel, verkeer en broodwinning in mijne missie totaal onmogelijk zijn; aangezien God in Zijne barmhartigheid ongetwijfeld medelijden heeft met zoovele achtergebleven weduwen en weezen, aangezien de Fransche regeering besloten heeft gewapenderhand de Christenen tegen de Turksche barbaarsheid te verdeedigen is het mijne heilige plicht de nog overgebleven Christenen niet alleen moed in te spreken maar ook hen in hunne nooddruft bij te staan, hen zoo te helpen dat zij niet van honger omkomen en den dag hunner redding kunnen aanschouwen.

Kwamen zij maar van den honger om! De vervulling van dat onheil is de innigste wensch der Turken. Ik betwijfel of de Turksche aanvoerders der Kemalisten na zoovele wenken die zij uit Europa ontvingen nog het plan hebben voor het oogenblik het bloed der Christenen te doen vloeien. Eigenbelang dwingt hen hakmessen, bijlen, zagen en andere moordtuigen uit de hand te leggen. Toch ben ik verzekerd, dat de Turken met het grootste genoegen den Christenen den dood toewenschen, die een gevolg is van ziekte, honger en ellende.

Deze lage voldoening der Turken moet zooveel mogelijk voorkomen worden. De liefdadigheid mijner geachte landgenooten zal mij ongetwijfeld in staat stellen ten minste een stuk brood voor de nog in leven zijnde Christenen te vinden. In Uw naam en met Uwe middelen zal ik de werken van barmhartigheid aan onze christenbroeders in Klein-Azië uitoefenen: naakten kleeden, hongerigen voeden, dorstigen laven!

De aalmoes die ik u vraag, zal niet dienen om kerken te bouwen, om grootsche werken tot stand te brengen; zij zal en kan slechts dienen om te redden wat nog te redden is; haar doel is de ellendige overblijfselen van het Armenisch martelaarsvolk, de Christenen onzer Missies een korte tijd in het leven te houden totdat het uur der redding slaat.

Onze groote parochiekerk in Marache heeft als patroon den Heiligen Antonius van Padua. Zijn beeld bevindt zich op het hoogaltaar der kerk als oorlogsbuit nu in bezit der Turken. De vereering die de Christenen van Marache betoonen voor onze Heilige en het vertrouwen dat zij steeds in hem stelden hebben de Katholieken van Marache op wonderbaarlijke wijze ondervonden. Terwijl toch duizenden niet geruineerde Christenen het leven hebben verloren, hebben de Katholieken in evenredigheid weinige alhoewel aller smartelijkste verliezen gehad.

Wij bidden den H. Antonius dat hij de bede voor een aalmoes ingang doet vinden in de harten mijner geachte landgenooten en zou de aalmoes ook maar 't penningske der weduwe van het Evangelie nabij komen, zelfs het kleinste is aangenaam in Gods Oogen en wordt mijnentwege met de innigste dankbaarheid aanvaard.

Moge de H. Antonius, de patroon van mijn Parochie U milddadig steunen ten opzichte van de arme Armenische Christenen. Aalmoezen kan men zenden aan den ZeerEerwaarden Pater Gardiaan, Tongerschestraat 28, MAASTRICHT, of wel aan den ZeerEerwaarden Pater Gardiaan van HEERLEN, Woerden, WEERT, en elders.

Ook de ZeerEerwaarde Pastoors der kerken die door de minderbroeders bediend worden te Amsterdam, Rotterdam, Leiden en in de overige steden zullen met alle bereidwilligheid Uwe giften tot ondersteuning der vervolgde Christenen in Klein-Armenië in ontvangst nemen.

Met innigste dankbaarheid,

Pater Maternus Muré Minderbroeder,
Apostolisch Missionaris Pastoor der Paters-Parochie in Marache.

MAASTRICHT, 16 Mei 1921.

Colofon