Algemeen Handelsblad, 30 april 1920
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Het mandaat over Armenië

Wij ontvangen van het secretariaat van den Raad van den Volkenbond den tekst van het memorandum aangenomen door den raad van den Volkenbond met betrekking op Armenië, alsmede een resumé van dat memorandum, aangenomen in den genoemden raad in zijn te Parijs den 11e April jl. gehouden zitting.

Uit korte telegrammen bleek reeds dat het mandaat over Armenië was aangeboden aan den Volkenbond, welke dit mandaat geweigerd had te aanvaarden.

Voorts mag als bekend verondersteld dat de Vereenigde Staten ook niet genegen bleken een mandaat over Armenië op zich te nemen, en dat daarna sprake is geweest van een aanbieding van dit mandaat aan Nederland, Zweden of Noorwegen.

Gisteren meldde Reuter het volgende:

"De League of nations Union" meldt, dat de raad van den volkenbond heeft verklaard, dat ofschoon hij het mandaat over Armenië afwijst, omdat hij noch het noodige geld, noch de militaire middelen heeft, er alle hoop is, dat een der kleine mogendheden het mandaat zal aanvaarden als de vergadering van den volkenbond de uitgaven waarborgde. De raad heeft in overweging gegeven, dat in afwachting van het bijeenkomen der vergadering van den volkenbond, de volken, die den oppersten raad vormen, de uitgaven gezamenlijk dragen."

Over de quaestie is nog niet beslist.

Uit het genoemde resumé, dat hier onder een plaats vindt, moge de opvatting van den raad van den Volkenbond blijken.

"Op den 12en Maart j.l. ontving de raad van den Volkenbond een telegram, geteekend door Lord Curzon, waarin de conferentie van ambassadeurs toen te Londen vergadering ter voorbereiding van het vredesverdrag met Turkije, den Volkenbond verzocht den nieuwen Armeenschen staat onder zijn bescherming te nemen.

Het antwoord door den Volkenbond op dit verzoek gegeven is onjuist weergegeven.

De hoofdinhoud van dit antwoord, het resultaat van besprekingen van den 9en tot den 11en April te Parijs gehouden, is als volgt:

De Raad van den Volkenbond stelt op den voorgrond, dat het doel zijner besprekingen is geweest hoe de veiligheid van Armenië in de toekomst te verzekeren; dit is "de plicht der menschelijkheid en een doel waardig de pogingen en de opoffering van de beschaafde staten der wereld."

Het is echter noodzakelijk dat de aangeboden hulp krachtig en afdoende zij; "de Raad kan niet vergeten de bittere disillusie van het Armeensche volk gewekt door de gebleken krachteloosheid van de Armeensche clausule, opgenomen in de verdragen van de laatste eeuw."

De Raad van den Volkenbond vestigt echter de aandacht op het feit, dat de Bond zelf geen staat is, over geen directe middelen beschikt benoodigd om militaire actie of financieele hulp en dat de drang door de openbare meening in Klein-Azië geoefend niet voldoende macht zal blijken te hebben.

Hier zij herinnerd aan art. XXII van het vredesverdrag, krachtens hetwelk de mandaten door den volkenbond aan bepaalde mogendheden worden opgedragen.

De beste oplossing is, overeenkomstig den wil der Armeniërs zelf, een mogendheid te vinden bereid het mandaat te aanvaarden.

Maar ten einde een der daarvoor in aanmerking komende mogendheden aan te moedigen deze verantwoordelijkheid op zich te nemen is het noodzakelijk, dat van de geallieerde mogendheden de waarborgen worden verkregen, die zij en zij alleen kunnen verstrekken.

Drie voorname quaesties moeten opgelost: de militaire, de financieele quaestie, alsmede het vraagstuk van den toegangweg voor Armenië tot de zee.

Een gedeelte van het grondgebied van den toekomstigen Armeenschen staat wordt nog bezet gehouden door geregelde of ongeregelde Turksche troepen.

Na de vestiging zal Armenië niet in staat zijn zonder belangrijke voorschotten, welke de mandataris wellicht zal weifelen te verschaffen, in haar geldelijke behoeften te voorzien.

Zonder een voor goed gewaarborgden toegangsweg naar de zee, zal de bescherming van Armenië, als zijn geheele bestaan op 't spel gezet worden.

Het schijnt niet mogelijk een mogendheid te verzoeken het mandaat te aanvaarden alvorens het Armeensche grondgebied overeenkomstig de bepalingen van het vredesverdrag zal ontruimd zijn geworden.

Wat het geldelijk gedeelte betreft, de Raad van den Volkenbond is bereid aan de vergadering van den Bond – waarin alle leden van dien Bond vertegenwoordigd zullen zijn – te verzoeken een Armeensche leening te waarborgen.

De Raad vraagt de geallieerde mogendheden of zij bereid zijn, – hangende de bijeenkomst der genoemde vergadering – de noodige fondsen te verstrekken in voorschot, of de Armeensche Republiek financieel waarborgen te verleenen.

Wat ten slotte den toegangsweg tot de zee betreft, de Opperste Raad heeft het verzoek ontvangen aan den Volkenbond mede te deelen welke maatregelen hij in dezen denkt te treffen. De raad van den bond meent, na de noodige waarborgen omtrent de oplossing der genoemde punten te hebben ontvangen, beter in staat te zullen zijn een mandataris voor Armenië te vinden.

Mocht deze oplossing, welke als de beste wordt beschouwd, onverhoopt niet succesvol blijken, dan zal de raad van den bond niettemin het lot van Armenië voor oogen houden, en bereid en gereed zijn in samenwerking met den Oppersten Raad andere maatregelen te bespreken, noodzakelijk voor de bescherming van den meer genoemden staat."

Colofon