Algemeen Handelsblad, 21 september 1918
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Zóó niet langer

(Van onzen medewerker te Lausanne.)

"Geen haat, geen wraak, doch ons recht!" zoo luidt de grondtoon van het manifest, dat staat te worden gepubliceerd door de nieuwe "Liga der Onderdrukte Volken in Turkije", dezer dagen te Genève gevestigd onder auspiciën van Engeland en zijne bondgenooten.

Wij hebben recht op onze vrijheid, verklaren deze volken. Joden, Armeniërs, Grieken en Syrische Arabieren. Onze oude en hooge cultuur geeft ons dit recht. Men denke aan Bagdàd. Men denke aan Etsjmiadzièn. Men denke aan Pergamum en Ephesus. Men denke aan Jeruzalem.

Ook is deze vrijheid redelijk. Het gaat er om den Centraal Aziatischen indringeling weder uit te dringen. Dat de Otmanli het gebied hunner kolonisatie behouden! In het eigenlijk Anatolië, een land ter grootte van Frankrijk, vinden de enkele millioenen Turken ruimte genoeg en te over voor hun boersch bestaan.

De vier volken, wier afgevaardigden zich te Genève vereenigen om reeds bij voorbaat eene goede verstandhouding te bewerkstelligen en die oneenigheden te verhinderen, welke den Balkan-volkeren zoo noodlottig zijn geworden, de vier cultuurvolken in het Turksche rijk vóór de revolutie door één, thans door een honderdtal tyrannen onderdrukt, doen een gezamenlijk beroep op de sympathie en den moreelen steun van alle liberaal gezinden

Zóó toch, kan het niet langer, gelijk terecht ook dezer dagen ("Handelsblad" van 11 September) de schrijver der Joodsche Tijd- en Strijdvragen van zijn speciale standpunt betoogde.

De "Liga" te Genève verzoekt dringend om betuigenis van adhaesie.

Colofon