Inleiding
 
Eind negentiende, begin twintigste eeuw was de krant niet alleen het eerste maar ook het enige massamedium. Maatschappelijke hervormingen en technologische vernieuwingen die hun wortels hadden in de Franse en de industriële revolutie lagen hieraan ten grondslag. In de Grondwet van 1848 werd voor het eerst de vrijheid van drukpers gegarandeerd.1 De afschaffing in 1869 van de dagbladzegel, een dure belasting op het formaat van kranten waardoor alleen welgestelden toegang tot nieuws hadden,2 en de ontwikkeling van de machinale papierfabricage en de uitvinding van de rotatiepers, waardoor op rollen papier in plaats van losse vellen gedrukt kon worden, hadden de krant voor een steeds breder publiek toegankelijk gemaakt. Daarnaast was rond de eeuwwisseling het analfabetisme voor het grootste deel verdwenen in Nederland.3
 
Met de komst van nieuwe burgelijke vrijheden en verbeterde communicatietechnieken kwam er steeds meer berichtgeving uit het buitenland. De uitvinding van de elektrische telegraaf in 1843 maakte snelle communicatie over grote afstanden mogelijk. De buitenlandverslaggeving kreeg gaandeweg steeds meer vorm en werd naar het einde van de negentiende eeuw toe een bescheiden maar vast onderdeel van de Nederlandse kranten. De enkele particuliere persbureaus die in Nederland bestonden richtten zich hoofdzakelijk op binnenlandse en parlementaire verslaggeving, het buitenlandse nieuws werd voor het overgrote deel overgenomen uit Britse en in mindere mate Duitse kranten of was afkomstig van de drie grootste en meest invloedrijke persbureaus in Europa, respectievelijk Reuters news agency in Groot-Brittannië, Wolffs Telegraphisches Bureau in Duitsland en Agence Havas in Frankrijk.4
 
Buitenlands nieuws
De liberale kranten het Algemeen Handelsblad uit Amsterdam en de Nieuwe Rotterdamsche Courant uit Rotterdam waren toonaangevend en vrijwel altijd het eerste met nieuws uit het buitenland, hun berichten werden regelmatig in zijn geheel overgenomen door andere dagbladen.5 Het Algemeen Handelsblad en de Nieuwe Rotterdamsche Courant waren ook de eerste kranten die aan het begin van de twintigste eeuw op beperkte schaal zelf journalisten naar het buitenland stuurde om eigen, vaak persoonlijk getinte reportages te maken. Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam de vraag naar buitenlands nieuws enorm toe, waarbij kranten vaak moesten wikken en wegen wat betrouwbaar nieuws was, omdat de oorlogvoerende landen hun kranten onder censuur hadden gesteld en de grote persbureaus als propagandakanalen gebruikten.6 De oplagen van kranten stegen aanzienlijk en de pagina's met buitenlands nieuws gingen ook na de oorlog een steeds groter en wezenlijk deel van de krant uitmaken.
 
De Nederlandse pers was in haar berichtgeving gematigder dan onder andere de Engelstalige pers. De oorzaak hiervan lag enerzijds in het behoudende karakter van de Nederlandse pers, die bijvoorbeeld later dan de meeste kranten in andere landen overging op het Angelsaksische model, waarbij ordening werd aangebracht door koppen boven de artikelen te plaatsen in plaats van lange kolommen tekst waarbij geen hierarchie in het nieuws was aangebracht7 en anderzijds in de nauwelijks noemenswaardige positie die Nederland als kleinere en militair zwakke natie innam in de internationale politiek. Nederland was als handelsnatie voor een groot deel afhankelijk van Duitsland en Groot-Brittannië, twee van de grootste Europese staten. Een aanzienlijk deel van de Nederlandse productie werd geëxporteerd naar Duitsland. Bovendien was Rotterdam voor Duitsland een belangrijke doorvoerhaven. Groot-Brittannië controleerde de scheepvaartroute via het Suezkanaal en was eigenaar van de telegraafverbinding met Nederlands-Indië, een voor de Nederlandse economie belangrijk wingewest bij gebrek aan een goed ontwikkelde industrie. Nederland positioneerde zich daarom internationaal als neutraal.

Armeense kwestie en Armeense genocide
De berichtgeving in de Nederlandse pers over de vervolging van Armeniërs in het Ottomaanse Rijk is grofweg te verdelen in twee perioden. Van 1878 tot de Tweede Wereldoorlog wordt het meest gesproken over de “Armeensche kwestie” of “Armenische gruwelen”. Voor de andere christelijke minderheden, Grieken en Arameeërs, die in hetzelfde tijdsbestek vervolgingen te verduren kregen in het Ottomaanse Rijk, is de aandacht in de Nederlandse berichtgeving vrijwel nihil. Na de stichting van de republiek Turkije in 1923 neemt de aandacht snel af en gaat de berichtgeving voornamelijk over de gevluchte overlevenden in omliggende landen en hulpacties van christelijke organisaties voor hen.

De impact van de Tweede Wereldoorlog vormt een breukvlak, zowel in aandacht, die in de jaren zestig door toedoen van de tweede generatie overlevenden langzaam terugkeert, als in de manier waarop er over de eerdere vervolgingen en genocide wordt gedacht en bericht. Waar voor de Tweede Wereldoorlog de vervolgingen algemeen bekend waren, zijn ze na de oorlog verdwenen uit het collectief geheugen. Het verschil in herinneringspolitiek tussen de Armeense en Turkse gemeenschap begint zichtbaar uit elkaar te groeien. Omdat de massamoorden op Armeniërs door het toenmalige Jong-Turkse regime tijdens de Eerste Wereldoorlog op basis van etniciteit waren gepleegd, wat na de Tweede Wereldoorlog juridisch als genocide wordt aangemerkt, spreekt men sinds de tweede helft van de twintigste eeuw van de Armeense genocide of volkerenmoord.
 
Geschiedenis van de Armeense kwestie
De Armeense kwestie vloeit voort uit de Oosterse kwestie, de opdeling van het langzaam maar gestaag ineenstortende Ottomaanse Rijk onder de grote imperialistische Europese staten van de negentiende eeuw. Het Ottomaanse Rijk had de aansluiting gemist met de veranderingen die door de Franse en de industriële revolutie sinds het einde van de achtiende eeuw in Europa plaatsvonden, waardoor landen als Groot-Britannië, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en Rusland economisch en militair veel sterker waren geworden en hun territorium wilde uitbreiden. Het Ottomaanse Rijk dat zich op zijn hoogtijdagen tijdens de zeventiende en achtiende eeuw uitstrekte van Zuidoost-Europa, de gebieden rond de Zwarte Zee, tot het complete Midden-Oosten en Noord-Afrika was door de autocratische en centralistische manier van besturen onbeheersbaar geworden en had gedurende de negentiende eeuw door financieel wanbestuur en corruptie steeds meer schulden opgebouwd bij Europese landen.

Rusland had onderwijl gedurende de negentiende eeuw door middel van diverse oorlogen grote delen van het Europese grondgebied van het Ottomaanse Rijk ingenomen met als belangrijkste doel een ijsvrije haven en toegang tot de Middellandse Zee. Na de tiende Russisch-Ottomaanse oorlog van 1877-1878 die door de Ottomanen verloren werd moest het Ottomaanse Rijk het overwegend christelijke deel van de Balkan afstaan en dit was voor de Armeniërs reden om na de oorlog bij de vredesonderhandelingen in Berlijn aan te dringen om ook in het Verdrag van Berlijn opgenomen te worden om meer zelfstandigheid en gelijke rechten af te dwingen, omdat zij als christenen een tweederangs positie innamen binnen het volgens de islamitische wetten bestuurde Ottomaanse Rijk en minder rechten hadden dan moslims.
  
Artikel 61 van het Verdrag van Berlijn
Dit resulteerde uiteindelijk in artikel 61 van het in 1878 afgesloten Verdrag van Berlijn en beloofde de Armeniërs bestuurlijke hervormingen en bescherming tegen plaatselijke roofbenden door de Ottomaanse overheid:

“De Verheven Porte neemt de verplichting op zich, zonder verder uitstel de door plaatselijke behoeften in de door Armeniërs bewoonde provinciën geëischte verbeteringen en hervormingen in te voeren en den Armeniërs veiligheid tegen over Kurden en Tscherkessen te waarborgen. Van de in deze richting gedane stappen zal zij in bepaalde termijnen kennis geven aan de mogendheden, die op de in-werkingtreding er van een wakend oog zullen houden.”8

De verdragsluitende partijen Groot-Brittannië, Oostenrijk-Hongarije, Frankrijk, Duitsland, Italië en Rusland hadden zich met het verdrag verplicht om toe te zien op de uitvoering van artikel 61.

De autocratisch regerende sultan Abdoel Hamid II ervoer artikel 61 van het verdrag als gezichtsverlies en inmenging in binnenlandse aangelegenheden van het Ottomaanse Rijk met als gevolg dat de Armeense bevolking werd gestigmatiseerd tot interne staatsvijand en door de falende Ottomaanse overheid werd gebruikt als zondebok, wat resulteerde in nieuwe vervolgingen met goedkeuring van de sultan. Het groeiende nationale bewustzijn van zowel de Armeense als Turkse bevolking heeft dit proces versterkt. De Armeniërs kregen bloedige vervolgingen te verduren met als dieptepunten de massale pogroms van 1894-1896 en 1909. Doordat concrete maatregelen van de verdragsluitende partijen uitbleven werden de Armeniërs met dit verdrag feitelijk gepolitiseerd en inzet van een imperialistisch diplomatiek steekspel tussen voornamelijk Groot-Brittannië, Rusland en het Ottomaanse Rijk.

De Jong-Turken en Turks nationalisme
Naar aanleiding van het desastreuze en repressieve beleid van sultan Abdoel Hamid II, die elke vorm van liberalisering en modernisering tegenwerkte, heeft het seculiere en nationalistische Comité voor Eenheid en Vooruitgang, ook bekend als Jong-Turken, een beweging die aan het einde van de negentiende eeuw was ontstaan en het Ottomaanse Rijk wilde omvormen naar een moderne liberale staat, in 1908 een staatsgreep gepleegd. De constitionele monarchie met gelijke rechten voor Ottomaanse burgers, die in 1876 door Abdoel Hamid II buiten werking was gesteld, werd na de staatsgreep hersteld. De Armeense bevolking hoopte dat dit definitief een einde zou maken aan de vervolgingen en de Armeense kwestie. Abdoel Hamid II werd in 1909 van de troon gezet na een mislukte poging tot een contra-staatsgreep door aan hem loyale militairen en vervangen door zijn broer Mehmed V, die geen invloed meer had.
 
Ondanks de nieuwe constitutie bleven de vervolgingen toch aanhouden. De verantwoordelijke Europese staten maakten in 1913 eindelijk serieus werk van de uitvoering van artikel 61 van het Verdrag van Berlijn en dwongen het inmiddels dictatoriale Jong-Turkse regime, er was een nieuwe staatgreep gepleegd door een ultranationalistische factie van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang, tot hervormingen en het aanstellen van twee inspecteurs-generaal om toe te zien op de uitvoering. Het dictatoriale Jong-Turkse regime had echter ondertussen besloten het restant van het Ottomaanse Rijk, dat aan zijn laatste adem bezig was, te turkificeren, een demografische strategie om alle niet-Turkse elementen en cultuuruitingen te verwijderen. Het begin van de Eerste Wereldoorlog werd aangegrepen om de inspecteurs-generaal te ontslaan en de voorbereiding op de hervormingen stop te zetten. De genocide op Armeniërs en andere christelijke minderheden tijdens de oorlog was onderdeel van de turkificatie en dit demografisch beleid werd voortgezet na de stichting van de republiek Turkije in 1923.9

De Armeense kwestie in de Nederlandse pers
De vervolging van Armeniërs tijdens de nadagen van het Ottomaanse Rijk en het daaruit voortvloeiende diplomatieke steekspel tussen de grote Europese staten en het Ottomaanse Rijk was decennialang een regelmatig terugkerend onderwerp in de Nederlandse kranten, net als in de pers van andere westerse landen. In eerste instantie, van 1878 tot 1893, was de frequentie van de berichten wisselvallig en lag de nadruk van de berichtgeving op de diplomatieke interventie naar aanleiding van artikel 61 van het Verdrag van Berlijn van met name Groot-Brittannië, en minder op de vervolgingen zelf. De beloofde hervormingen bleven in de twee decennia daarna, tot het begin van de Eerste Wereldoorlog, de rode draad vormen in de berichtgeving. De massale pogroms in 1895-1896, die plaatsvonden na een bloedig neergeslagen opstand aan het einde van 1894, kregen wereldwijd zeer veel aandacht. In de Nederlandse kranten is hier ook uitputtend aandacht aan besteed.

Na de massaslachtingen van 1894-1896 verdwenen de berichten over de vervolging van Armeniërs niet meer uit de Nederlandse kranten en werden medebepalend voor de beeldvorming over sultan Abdoel Hamid II en Turken in het algemeen. In 1899, tijdens de Eerste Haagse Vredesconferentie werd de Armeniër Minas Tchéraz, die bij de deelnemende landen en het Nederlandse publiek aandacht wilde vragen voor de positie van Armenië in het Ottomaanse Rijk, het spreken in het openbaar belet door de Haagse politie, wat leidde tot een nationale rel die uitvoerig werd belicht in de pers, waarna Tchéraz door onder anderen Abraham Kuyper in bescherming werd genomen en zijn voordrachten toch kon houden.

Tot 1908 bleef de vervolging van Armeniërs met enige regelmaat actueel, waarna de massaslachtingen in 1909 in Adana en omstreken na een mislukte poging van Abdoel Hamid II om weer aan de macht te komen weer de aandacht trokken, ofschoon in mindere mate dan de eerdere pogroms in 1894-1896. Omdat de vervolgingen na de nieuwe constitutie die was ingesteld na de staatsgreep in 1908 toch bleven aanhouden drongen de Armeniërs er in 1913 op aan om de al meer dan drie decennia geleden beloofde hervormingen eindelijk echt uit te voeren. De Nieuwe Rotterdamsche Courant, die inmiddels een eigen correspondent in Istanboel had, bestede hier begin 1914 in een aantal wijdlopige artikelen uitgebreid aandacht aan.

Berichtgeving tijdens de Eerste Wereldoorlog
Kort na het uitbreken van de eerste wereldoorlog stuurde de Nederlandse regering een circulaire naar alle kranten dat de neutraliteit van Nederland niet in gevaar mocht worden gebracht door partijdige berichtgeving. Daardoor is er in de Nederlandse pers minder aandacht geweestvoor de genocide in 1915-1916 dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De buitenlandse kranten en persbureaus waar de Nederlandse pers zich tradioneel op baseerde werden propagandistische spreekbuizen van hun desbetreffende nationale overheden.

Na de Tweede Wereldoorlog: de Armeense genocide
De term genocide, samengesteld uit het Griekse woord genos (ras, natie of volk) en het Latijnse caedere (vellen, doden, vermoorden), is geformuleerd in 1943 en voor het eerst gepubliceerd in 1944. De uitroeiing van Armeniërs had de Pool Raphael Lemkin, zelf van Joodse afkomst, geïnspireerd om deze misdaad tegen onschuldige en weerloze burgers verankerd te krijgen in het internationaal recht. Lemkin, die oorspronkelijk taalwetenschappen studeerde, is hiervoor rechten gaan studeren en heeft in de jaren dertig diverse pogingen gedaan om massale moord op basis van groepskenmerken in internationale verdragen op te nemen. Pas na de Tweede Wereldoorlog, waarin Lemkin's eigen familie door de nazi's was omgebracht, bleek dit politiek haalbaar.
 
Het Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide is in december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen en in januari 1951 door voldoende landen geratificeerd en van kracht geworden. De Verenigde Naties heeft eerder in mei 1948 middels een rapport van de United Nations War Crimes Commission impliciet erkend dat de uitroeiing van Armeniërs door het Jong-Turkse regime tijdens de Eerste Wereldoorlog de facto zijn te vergelijken met de Misdaden tegen de Mensheid die door de nazi's zijn begaan tijdens de Holocaust.10 Sinds het bestaan van het Genocideverdrag wordt er gesproken van de Armeense genocide of volkerenmoord op Armeniërs. De pogroms die plaatsvonden voor en na de eigenlijke genocide in 1915-1916 worden tegenwoordig ook gezien als genocidaal.11

De Armeense genocide in de Nederlandse pers
In de jaren zestig ontstaat er opnieuw belangstelling voor de Armeense genocide. De tweede generatie overlevenden begint zich uit te spreken en uitvoerig onderzoek van onder andere de Armeense wetenschappers Vahakn Dadrian en Richard Hovanissian brengt de genocide weer in de aandacht. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig is het voornamelijk het Armeens terrorisme, één van de gevolgen van de niet nagekomen beloften van de internationale gemeenschap, dat de publiciteit haalt. De oorlog om de Armeense enclave Nagorno-Karabach in Azerbeidzjan, die begon in 1991 en eindigde in 1994, betekende ook weer de nodige aandacht, waarna er in de jaren negentig geleidelijk aan een nieuw publiek bewustzijn ontstaat over de Armeense genocide.

In het nieuwe millennium wordt er door de eventuele toetreding van Turkije tot de Europese Unie steeds vaker gepubliceerd over de Armeense genocide. Het wetenschappelijk onderzoek wordt uitgebreid door Taner Akçam en Uğur Ümit Üngör en verfijnt zich, en de laatste jaren mag de Armeense genocide zich verheugen op groeiende internationale belangstelling. De ontkenningspolitiek van de Turkse overheid, in combinatie met uitingen van Turks nationalisme brengen de kwestie van de Armeense genocide regelmatig in de publieke aandacht. De commotie rond ontkennende en/of bagatelliserende Turks-Nederlandse (aspirant) Kamerleden tijdens de verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer van 2006 en de moord op de Turks-Armeense journalist Hrant Dink begin 2007 hebben veel publiciteit gegenereerd. Tezamen met andere incidenten heeft dit ervoor gezorgd dat de Armeense genocide als historisch begrip algemeen bekend is geraakt in Nederland.

 

1 · De vrijheid van drukpers zonder restricties vooraf werd voor het eerst vastgelegd in artikel 8 van de "Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden" van 1848: "Niemand heeft voorafgaand verlof noodig, om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet." Bron: de Nederlandse Grondwet, geraadpleegd op 3 oktober 2011 via http://www.denederlandsegrondwet.nl/9353000/1/j9vvihlf299q0sr/vi7aawbpgazu.
2 · De dagbladzegel was een belasting op het formaat van kranten die werd ingevoerd in 1812, tijdens de bezetting van Nederland door Napoleon Bonaparte. Na de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 heeft de Nederlandse overheid de belasting tot de afschaffing op 1 juli 1869 diverse malen verhoogd, ook na de invoering van de vrijheid van drukpers in de grondwet van 1848. De dagbladzegel kan gezien worden als een verkapte vorm van censuur. Hierdoor bleef het aantal kranten zeer beperkt en duur en hadden alleen de welgestelden toegang tot nieuws en informatie.
Bron: Joan Hemels, Het dagbladzegel in de rariteitenkamer, p. 11-12, Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar, 1969, 167 blz.
3 · O. Boonstra, Regionale verschillen in de daling van het analabetisme in Nederland 1775 - 1900, Nijmegen, Radboud Universiteit, 2009, 17 blz.
4 · Agence Havas werd in 1835 door Charles-Louis Havas (1783-1858) in Parijs opgericht en wordt beschouwd als het eerste persbureau dat nieuws leverde aan kranten. Wolffs Telegraphisches Bureau (1849-1934) werd in 1849 door uitgever en kranteneigenaar Bernhard Wolff (1811-1879) in Berlijn opgericht en Reuters news agency in 1851 door Paul Julius Reuter (1816–1899) in Londen. Zowel Wolff als Reuter waren voormalig werknemers van Havas en de drie werkten vanaf 1870 samen tot Wolffs Telegraphisches Bureau in het midden van de jaren dertig van de vorige eeuw werd opgeheven.
5 · Frank van Vree, "Beroep: journalist", in Een eeuw schrijvende journalistiek,, p. 158, Amsterdam, Amsterdam University Press, 2002, 510 blz.
6 · Gerard Mulder, "De redigerende hand, stijl en ordening in de schrijvende journalistiek", in Een eeuw schrijvende journalistiek, p. 147, Amsterdam, Amsterdam University Press, 2002, 510 blz.
7 · Ibidem, p. 141-152.
8 · D.C. Nijhoff, "De gruwelen in Armenië, deel 2", in De Amsterdammer van 20 maart 1898, nr. 1082, p. 1, Amsterdam, Van Holkema & Warendorf.
9 · Uğur Ü. Üngör, "Seeing like a nation-state: Young Turk social engenering in Eastern Turkey, 1913-50", in Journal of genocide Research, 10/1, p. 15-39, Abingdon, Taylor & Francis, 2008.
10 · J. Litawski, Information concerning human rights arising from trials of war criminals, p. 7, United Nations War Crimes Commission, 1948, 383 blz.
11 · Ton Zwaan, De vergeten genocide, Amsterdam, Centrum voor Holocaust- en Genocidestudies, 2004, 6 blz.

Colofon