Leeuwarder Courant, 1 mei 1965
Bron: Digitaal Archief Noord-Nederland

Halve maan en kruis

Hoewel men in het Nederlandse spraakgebruik aan de naam Turk enige zeer onaangename eigenschappen verbindt, blijft het een feit dat de Turken een vriendelijk en sympathiek volk zijn. Zij mogen deze vriendelijkheid naar onze smaak een tikje te veel aan onze oosterburen bewijzen, zij zijn in hun optreden jegens alle vreemdelingen bescheiden en hoffelijk. Er is daar in Turkije sedert het heengaan van de laatste sultan en de daaropvolgende regering van Kemal Ataturk ontzaglijk veel veranderd. Het land is, met behoud van tal van oosterse karaktertrekken, westers en soms ook Europees geworden.

Mede daarom zal het voor geen enkele Turk prettig zijn herinnerd te worden aan wat zich daar nu juist een halve eeuw geleden in zijn land heeft afgespeeld. Een gruwelijk drama dat tot in lengte van jaren een pikzwarte bladzijde in het geschiedenisboek zal vormen, een moordpartij die alleen met de Russische pogroms en de Duitse Judenvernichtung kan worden vergeleken. De ouderen onder onze lezers zullen zich nog herinneren welk een schrik en afschuw de Turkse verdelging der Armeniërs allerwege heeft verwekt. Vooral in de kerken is het toen tot solidariteitsbetoon met de Armeniërs gekomen.

Verleden zondag zijn in Beiroet in de Libanon meer dan vijftigduizend Armeniërs bijeen geweest, bijna de helft van de Armeniërs die in dat land wonen. De herdenking in het grote sportstadion van deze vreselijke gebeurtenis is evenwel niet tot een anti-Turkse protestbetoging geworden, maar droeg van begin tot eind een godsdienstig karakter. Zo is het goed, zeggen de meesten die weten waar het om begonnen is. Natuurlijk zijn er onder de Armeniërs vele strijdlustige nationalisten die de leus van één volk en één staat propageren, maar er zijn toch meer die van het openrijten van oude wonden alleen ellende verwachten.

Op 24 april 1915 zette dit klassiek geworden voorbeeld van genocide (volksverdelging) in met de arrestatie in Istanboel van honderden vooraanstaande Armeniërs en met het ophangen van de leiders onder hen. Het was het sein dat de afslachting inzette, de afslachting die vooral bet gevolg was van de deportatie van dit energieke en commercieel begaafde volk naar Syrië en Irak. Deze dodenmars van bijna twee miljoen mensen moet een ongehoorde verschrikking zijn geweest; meer dan een miljoen moeten in korte tijd toen hun leven hebben verloren. De eerste wereldoorlog gaf de mensheid zo het een en ander aan duivelse prestaties te verwerken.

Toch gelukte het de Turken niet de Armeniërs geheel te liquideren en het Armeens probleem op zulk een krachtdadige wijze uit de wereld te helpen. Er zijn er nog een honderdduizend in Turkije overgebleven, er leven enkele miljoenen binnen de grenzen van de Sovjet-Unie en verder zijn er heel wat in de diaspora gejaagd, in de Arabische landen van het Midden-Oosten, in Frankrijk, en in de VS. Het probleem lijkt onoplosbaar. Van de Turken mag men verwachten, dat zij met diepe schaamte en berouw op dit wrede hoofdstuk uit hun geschiedenis terugzien en dat zij er voor de toekomst de nodige lering uit zullen trekken.

Het lijkt er echter veel op dat wij een herhaling in het klein van de gruwelijke gebeurtenissen van april 1915 zullen krijgen. De Turken zijn namelijk van plan alle in hun land wonende Grieken te deporteren en – wat in symbolisch opzicht nog veel erger is – het Grieks-Orthodoxe patriarchaat in Istanboel onder hun controle te brengen. Natuurlijk vloeien deze represailles voort uit de ongelukkige ontwikkeling van het Cyprusconflict. de Grieken hebben zich op dat eiland jegens de Turken zeker niet zachtzinnig en vredelievend gedragen. Deze Grieken herinneren zich ook te goed wat er na 1920 in Smyrna (Izmir) is gebeurd.

Desniettemin is het uiterst onverstandig van de Turken wanneer zij nu tot deze deportatie overgaan. Er wonen in een deel van Griekenland (Thracië) nog heel wat Turken en het is niet te verwachten dat zij met vrede zullen worden gelaten. Eenmaal met de toepassing van de wet van het oog om oog en tand om tand begonnen, komt er geen eind meer aan. De strijd kan zelfs het karakter van een uiteenzetting tussen kruis en halve maan krijgen en dat is wel het laatste wat we moeten hebben. De ondergang van het Griekse Byzantium ligt meer dan vijf eeuwen terug en de tijd van de godsdienstoorlogen lijkt gelukkig voorbij.

De verdwijning uit Istanboel van de hoogbejaarde en overal zo hooggeachte Athenagoras, aartsbisschop en oecumenisch patriarch zou een daad zijn die de gehele christenheid zich zou moeten aantrekken. Van deze Athenagoras, hoofd van 143 miljoen orthodoxe gelovigen, kan men niet anders zeggen dan dat hij zich steeds loyaal als Turks staatsburger heeft gedragen. Voortdurend heeft hij er op aangedrongen dat de liefde en de gerechtigheid het van de nationale hartstochten moeten winnen. Hij is de man die genegen is en bereid lijkt een brug te slaan over de diepe kloof, die het gevolg is geweest van de eeuwenoude verwijdering van Rome en Constantinopel.

De r.k. bisschoppen van Frankrijk hebben zich solidair verklaard met Athenagoras en deden reeds een klemmend beroep op de Turkse regering. Ligt er in dit opzicht echter niet een taak voor de gehele christenheid? Niet alleen Armenië, óók Griekenland is het oudste christelijke land uit de geschiedenis.

Colofon